Kenmerken reis
Klimaat: Tropisch. Overdag meest boven de 30 graden, 's Nachts enige afkoeling. De hoge luchtvochtigheid maakte dat de minste inspanning door liters zweet gevolgd werd.
Terrein: De Maleisische wegen zijn over het algemeen goed. De paden ook, mits het niet geregend heeft en/of er teveel overstekende wortels zijn. Dan wordt het glad, en is het vooral bij het afdalen oppassen geblazen.
Van dag tot dag: Overnachtingen in hotels of pensions. Verder dagwandelingen met lichte bepakking. Op enkele dagen moest er voor één dag slaapspul meegedragen worden.
Lokale bevolking: Is vriendelijk en behulpzaam.
Toeristen: Op de toeristische plekken vind je vooral veel Japanners, Europeanen en Australiërs
Bijzonderheden: Regenbuien vielen over het algemeen 's middags na vieren of 's nachts. Overdag is het op een enkele dag na droog gebleven.
Het weer vandaag in Kuching, Maleisië: Click for Kuching, MaleisiŽ Forecast
Naar de foto`s en gevolgde route:

Borneo, land van ongerepte oerwouden en palmolie plantages. Land van mensen, neusapen en orang-oetans. Wij arriveerden er in de vroege ochtend op een dag ergens begin september. Nederland had een dag daarvoor al op gepaste wijze afscheid genomen; lange gordijnen van regen gleden over het landschap, terwijl wij nog slaperig in de treincoupé zaten. Het vliegveld van Kuching lag daarentegen te blakeren in de vroege ochtendzon. De temperatuur was nog aangenaam, maar we wisten dat het heet zou worden vandaag. Met een bus werden we in een half uur naar het hotel gereden, dat prettig aan de Sarawak rivier in het centrum van de stad lag. Voorzien van jet-lag en voldoende water maakten we een wandeling langs de rivier, zoveel mogelijk in de schaduw blijvend.

De volgende ochtend naar Bako National Park. Zoals de Sawadee reisbeschrijving al vermeldt; het park herbergt vrijwel alle vegetatiesoorten die op Borneo voorkomen. Dit komt niet door de grootte van het park, of door de hoogte van de bergen, maar alleen door de grote variatie van de bodem, die verschillende plantengroei mogelijk maken. We worden met bootjes naar het park vervoerd. Het is eb, en het laatste stuk leggen we langzaam af, de kiel van de boot schurend over onzichtbare zandbanken. We waren gewaarschuwd voor makaken, maar bij onze aankomst is er niets van te zien. Gedurende de twee dagen dat we in het park zitten, waren ze wel degelijk aanwezig, en dan vooral op de momenten dat je er even niet op bedacht bent. We maken wandelingen door het oerwoud, dat inderdaad zeer gevarieerd is. We zien neusapen en silver leaf monkeys, en natuurlijk de voornoemde makaken.

Onze volgende bestemming zijn de Iban-longhouses. Onderkomen van een volk dat een eeuw geleden nog onder de term `koppensnellers` bekend stond. Die onhebbelijke gewoonte hebben zij reeds lang afgezworen, dus we kunnen ze veilig bezoeken. Voordat het zover is bezoeken we echter eerst het Semonggoh Wildlife Rehabilitation Centre, waar ontheemde orang-oetans worden opgevangen om na een langdurige `training` weer in de jungle te worden uitgezet. Elke ochtend tussen 9 en 10 uur worden zij door het parkbeheer gevoed, ondertussen gadegeslagen door flinke hoeveelheden toeristen. De regels om tot dit gebeuren te worden toegelaten zijn streng: niet roken, lachen, luid praten. Geen statieven en gillende kinderen. Iedereen houdt zicht netjes aan dit reglement en we kunnen één uur van de aanwezigheid van deze mooie dieren genieten.

We bereiken de Longhouses na een busrit en een korte boottocht over een bochtige rivier. De boottocht is mooi; links en rechts rijzen de hoge bomen van het oerwoud op, zo af en toe afgewisseld door een dorpje dat zich aan de rivieroever nestelt. We worden in het Iban-dorp verwelkomd met dans en rijstwijn. De volgende ochtend gaat het verder de rivier op; onze bestemming is het volgende dorp dat een paar kilometer stroomopwaarts ligt. De laatste twee uur van de tocht leggen we lopend af, door oerwoud en rubber plantages. Het is mooi weer en dus heet, en zijn dan ook blij wanneer we de koelte van het volgende longhouse kunnen betrekken.

Onze volgende bestemming is het Mulu National Park, plaats van diepe grotten die zich in het daar aanwezige karstgebergte boren. We arriveren er na twee korte binnenlandse vluchten. Vooral de vlucht van Miri naar Mulu is mooi, met veel oerwoud en meanderende rivieren. `s Middags gaan we gelijk al op pad en verkennen we de eerste grotten. De grotten die wij bezoeken zijn voorzien van duidelijke paden met hekjes. Aan het eind van de middag bezoeken de de Deer Cave, onderkomen van miljoenen vleermuizen die zich zo`n 120 meter boven ons tegen het dak van de grot bevinden. Hun aanwezigheid doet zich al ver buiten de grot gelden; een zwavellucht afkomstig van de uitwerpselen die de beesten produceren. Eenmaal binnen wordt de lucht sterker, en ligt de bodem van de immens grote grot her en der bezaaid met meters uitwerpselen, die er uit zien als hopen nat koffiegruis. `s Avonds zijn we er getuige van dat de dieren in groepjes van enkele tienduizenden de grotten verlaten, op zoek naar eten, zodat ze de volgende dag de bodem van de grot met nóg meer poep kunnen bedekken.

We varen en wandelen de ochtend daarop naar het `basiskamp` voor de beklimming van de Pinnacles, een kalksteenformatie die door de regen in het gesteente is uitgehakt. Voor het eerst deze vakantie hebben we overdag regen. Maar het is warm, dus die nattigheid deert ons niet erg. We vertrekken de volgende dag bij het ochtendgloren naar de Pinnacles. Hoewel het pad maar 2,5 km lang is, moeten we over die afstand zo`n 1200 meter stijgen. Het stijgingspercentage is dus hoog. Het begin van de route is nog te doen, maar het pad wordt allengs steiler, met soms `opstapjes` van meer dan een meter. Op het laatste stuk van het pad worden we begeleid door een touw, omdat het stijgingspercentage zo af en toe de 100% benadert, en we ons regelmatig tussen rotsen en boomwortels moeten heenwurmen. Eenmaal op de plaats van bestemming worden we getrakteerd op een mooi uitzicht op de Pinnacles, die als scherpe messen tussen het groene oerwoud oprijzen.

Na de vermoeienissen van de Pinnacles genieten we van onze welverdiende rust op een klein eilandje voor de kust, Pulau Tiga. Na een flinke busrit en een korte boottocht komen we er aan het eind van de middag aan. We relaxen er enkele dagen, onze tijd vullend met kaarten, wandelen en snorkelen. Op de laatste dag van onze aanwezigheid op het eiland worden we getrakteerd op een flinke onweersbui, die de hemel hoog boven ons fraai doet oplichten.

Na een kort verblijf in de havenstad Kota Kinabalu rijden we door naar de Kinabalu, met zijn hoogte van 4095 meter de hoogste berg van zuidoost Azië. We worden op een hoogte van 1800 meter afgezet. De temperatuur is hier een stuk aangenamer. We krijgen een officiële briefing over de berg en zijn grillen. Het blijkt dat het stuk dat we morgen nacht/ochtend moeten afleggen voornamelijk bestaat uit kale granietrots. En dit gesteente is niet glad, ook niet als het nat is. Een erg prettig vooruitzicht. Maar zover is het nog niet. De volgende ochtend lopen we eerst naar de Laban Rata hut op 3273 meter. Het weer is aanvankelijk goed, maar er komt al vrij snel bewolking opzetten, die hardnekkig tegen de bergflank blijft plakken. Het blijft echter droog, en dat is wel prettig, want het is op deze hoogte ondertussen aardig afgekoeld. Na een korte nachtrust (we staan om half twee in de ochtend op), gaan we in het donker op pad. Eerst nog door bos, maar het eerste touw kondigt de granieten rots al snel aan. Met hoofdlamp schuifelen wij met z`n allen langs het touw naar boven. Onderweg worden we nog één keer gecontroleerd op een controlepost, en daarna weer verder. Het pad langs het touw is goed te volgen, en wat meehelpt is de bijna volle maan die boven ons hoofd staat. Een uur voor zonsopkomst komen we op Low`s Peak aan, op 4095 meter. Op de top een handvol mensen, maar dat worden er allengs meer. Ver beneden ons kunnen we de lichten van Kota Kinabalu zien liggen. Eergisteren waren wij daar nog, in de hitte, en hier is het bitterkoud. Ondertussen is praktisch iedereen van de groep van de kou weer afgedropen, maar ik houd het redelijk uit. Rond zes uur komt de zon dan eindelijk op. Na een paar foto`s van de mooie omgeving gemaakt te hebben daal ik dankbaar weer af. In de hut neem mijn ontbijt, dat er deze ochtend bij in was geschoten. Mijn vriendin zit er ook, zij was al eerder afgedaald. Bevangen door de kou, maar nu weer aardig opgewarmd. Na de lange afdaling nemen we afscheid van een deel van de groep. Zij gaan weer huiswaarts, maar wij nemen nog een verlenging die ons naar het noordoosten van Sabah zal brengen.

Na een aanvankelijk wilde rit komen we aan bij Sepilok, waar we de volgende ochtend weer een orang-oetan `opleidingscentrum` bezoeken. Daarna rijden we door naar de Kinabatang rivier. We maken er verschillende safari`s, gezeten in een bootje, terwijl links en rechts de fauna in het oerwoud aan ons voorbij schuift. We zien na een korte wandeling en onder begeleiding van twee lokale gidsen een echte wilde orang-oetan. Het is een vrouwtje, dat met haar vierjarige jong hoog in de bomen aan het eten is. Het is moeilijk zoeken door het hoge gebladerte, maar zo af en toe krijgen we een glimp van het stel te zien. We krijgen uitleg van de gidsen. Om ons heen staat een secundair regenwoud, wat inhoudt dat de bomen nog niet zo hoog zijn. En dat is weer mazzel voor ons, anders waren we niet in staat geweest deze mooie dieren relatief makkelijk te bekijken.

We reizen af naar Danum Valley. Een groot reservaat waarin talloze beschermde dieren huizen, waaronder de Sumatraanse neushoorn en de Borneo dwerg olifant. Van dit laatste dier zien wij een glimp wanneer wij `s ochtends vroeg met de jeep naar een uitzichtpunt rijden om de zon boven het oerwoud te zien opkomen. De zonsopkomst boven de in het dal hangende wolken is onvergetelijk. Met dit laatste beeld in ons hoofd nemen we afscheid van het oerwoud en gaan we de bewoonde wereld weer in.

Het vliegtuig dat ons van Kota Kinabalu naar Kuala Lumpur zou brengen komt met een vertraging van ruim drie uur aan. Gevolg hiervan is dat wij onze aansluiting in Kuala Lumpur naar Amsterdam vrijwel zeker zullen missen. In Kuala Lumpur staat al een team van Malaysia Airlines klaar om ons op te vangen. We kunnen onze bagage ophalen en we worden met een minibusje naar een hotel ergens richting Kuala Lumpur gebracht, waar wij dankbaar gebruik van maken. Het volgende vliegtuig vertrekt pas de volgende avond om half twaalf. De beslissing is snel genomen, en de volgende ochtend charteren we een busje dat ons naar het centrum van Kuala Lumpur brengt. We zijn blij dat we dit uitstapje nog hebben kunnen maken, want Kuala Lumpur is een bijzondere stad, die nog maar 150 jaar oud is. We bezoeken de diverse hoogtepunten (de Petronas Towers zijn helaas dicht op deze dag). En gaan de zelfde avond moe maar tevreden naar huis.