Kenmerken reis
Klimaat: De winters zijn koud en de zomers zijn warm. De weersomstandigheden die wij gedurende de trekking ondervonden laten zich onderscheiden in temperaturen die vari?ren van warm tot zeer warm, met uitschieters naar bloedheet. Zelfs op hoogte (3000m) wilde de temperatuur nauwelijks onder de 30°C zakken. Regen hebben we niet gehad, hoewel het zomers wel mogelijk is in een enkele bui terecht te komen. `s Nachts daalden de temperaturen naar meer leefbare waarden.
Terrein: Het Tiën Shan gebergte is een wat ouder gebergte. Dit houdt in dat grote gruishellingen ontbreken. Wel veel steile groen begroeide hellingen die doorkruist worden door goed begaanbare paden. Op een enkele dag verlieten we deze paden en worstelden wij ons tussen de manshoge planten tegen de berghellingen op.
Van dag tot dag: Wij kampeerden veelal op hoogtes variërend tussen de 2100 en 2800 meter. De bagage werd vervoerd door paarden. Verder was er een uitgebreide staf mee die ons van alle gemakken voorzag: een vertaler, een kookploeg en een berggids met een aantal assistenten. De wandel afstanden vielen mee, en gemiddeld werd er per dag zo`n 800 tot 1000 meter gestegen en/of gedaald.
Lokale bevolking: Het Kirgizische bergvolk is vriendelijk en staat open voor contacten. Dat gaat alleen soms moeilijk vanwege de taalbarriëre. De meeste mensen spreken Kirgizisch en soms Russisch. Als je geluk hebt tref je een scholier die je in Engels te woord kan staan, of word je een woning binnen getrokken voor een traktatie op thee met witte zoute kaasballen (gemaakt van paardenmelk).
Toeristen: Onnodig te zeggen dat het toerisme in Kirgizië nog in de kinderschoenen staat. En van toeristen hebben wij tijdens de trekking dan ook niets gezien.
Bijzonderheden: In tegenstelling tot de rest van Centraal Azië wordt het straatbeeld in Kirgizi? in de steden gedomineerd door auto`s, en in het platteland door ezels. Fietsen en brommers worden nauwelijks gebruikt.
Het weer vandaag in Bishkek, Kirgizie: Click for Bishkek, Kyrgyzstan Forecast
Naar de foto`s en gevolgde route:

In 2006 maakten wij een reis door Centraal Azië en bezochten de landen Kirgizië, Oezbekistan en Tadzjikistan. Elk land had zijn eigen karakter, en daarom krijgt elk land ook een eigen plaatsje binnen mijn site. Ik begin met Kirgizië, het eerste land dat we bezochten.

Sinds Kirgizië in 1991 onafhankelijk werd, is het toerisme langzaam op gang gekomen. Het land heeft net zoals andere landen in Centraal Azië wat politieke strubbelingen gekend. Van die strubbelingen bleven wij tijdens ons verblijf ver verwijderd, want wij trokken de bergen in.

De reis begon met de aankomst op het vliegveld van Tasjkent, de hoofdstad van Oezbekistan. We reden via Kazakstan naar Kirgizië. Onderweg in Kazakstan veel, heel veel landbouw. Op de golvende velden groeiden tarwe, boekweit en zonnebloemen. Het passeren van de grensovergangen tussen Oezbekistan - Kazachstan en later Kazakstan - Kirgizië kostte veel tijd, dus we kwamen in het donker op onze kampeerplaats in Kirgizë aan.

Met de vrachtwagen rijden we de volgende dag naar het westelijke gedeelte van het Tiën Shan gebergte. We slechtten (met de wagen) eerst de Karabur-pas, die 3250m hoog is. Maar zo hoog beginnen we gelukkig niet, we starten met de trekking op een steppe op 1800m hoogte. De bagage wordt uitgeladen en onze gids gaat op zoek naar de paardenmannen. En warempel, vanuit een vlakte die op het eerste gezicht leeg is komen her en der mensen aangereden. De bagage wordt opgeladen en wij maken ons op voor een tocht van een uur naar de eerste kampeerplaats. De temperaturen zijn hoog (boven de 30C) en de zon schijnt ongenadig boven ons bolletje. Maar goed dat we in Nederland net een flinke hittegolf achter de rug hebben, waardoor we al wat gewend zijn aan hoge temperaturen.

We lopen door een smalle kloof waar in vroeger tijden de stam van de witte luipaard zijn nederzetting had. De gids weet er een mooie legende over te vertellen. Na de kloof met zijn hoge besneeuwde bergen wordt het landschap geleidelijk wat vriendelijker. Ruige rotshellingen maken plaats voor steile begroeide bergwanden. Het pad volgt de dalen en is goed begaanbaar. We beklimmen de Ashuu-Tor pas met een hoogte van 3368 meter. Het is hier iets minder warm dan in de dalen. We dalen af in het Ulama dal. Tussen de hoge Tiën Shan sparren staan her en der huisjes en tenten. Ze worden bewoond door Kirgiezen die hier hun zomervakantie houden. Het contact is kort, want de berggids wil voor het donker op de kampeerplaats staan.

De volgende dag lopen we naar het Sarichelek meer. Maar voordat we zover zijn moeten er eerst nog twee passen geslecht worden. De weg naar boven is pittig. Het pad volgt een steile helling. Op een gegeven moment houdt het pad op. We strompelen door manshoge beplanting terwijl de zon de temperatuur weer flink omhoog laat schieten. Op een gegeven moment komen we op een stuk helling waar de planten als door een tornado tegen de aarde zijn gesmakt. De oorzaak is echter geen weerkundig verschijnsel, maar een kudde schapen die over de helling gewalst is. We zullen dit de komende dagen nog meer zien. Die platgewalste planten maken het lopen er niet makkelijker op....

Na een flinke afdaling bereiken we het Sarichelek meer en kunnen we het zout van onze huid spoelen. Het water van het meer is verassend warm, zeker als je bedenkt dat het meer dan 240 meter diep is.

De volgende dag zou de zwaarste van de trekking worden. Het pad volgde eerst de oevers van het Sarichelek meer, maar schoot later een zijdal in, om vervolgens in de hoge beplanting te verdwijnen. Wat vervolgens ook verdween was het water. De berggids vertelde ons dat deze zomer nogal droog was, waardoor de beekjes die hier normaal gesproken zouden moeten stromen uitgedroogd waren. De enige bron van water waren de sporadisch voorkomende sneeuwveldjes, die hogerop de helling algauw verdwenen. We liepen op een zuidhelling met de zon in onze nek, een temperatuur van 30C, geen wind en de watervoorraad slonk gestaag. Rond vijf uur bereikten we de Mokhmal pas van 2854 meter hoogte. We moesten echter nog duizend meter afdalen en ik vreesde het ergste.

Gelukkig was het pad naar beneden goed, verdween de zon en kwamen we halverwege de afdaling een groot sneeuwveld tegen. Dankbaar vulden we onze veldflessen. Daarna was het een kwestie van uitlopen. We kwamen in het dal nog langs een kleine nederzetting en volgden de loop van een rivier. De laatste kilometers legden wij in het donker af. De Oezbeekse reisleiding was op het invallende duister voorbereid en had op kritieke punten van de route een paar mensen met lampjes neergezet die ons verder gidsden naar de kampeerplek.

De laatste dag van de trekking was een gemakkelijke dag. We liepen het dal verder uit. Onderweg kwamen we regelmatig mensen tegen die zich in de regel met paard of te voet voortbewogen. Zelfs kinderen van een jaar of zeven konden al zelfstandig met paard of ezel uit de voeten. In een dorpje sloegen wij ons kamp op. We hadden een uitgebreid feest met de staf die ons de afgelopen dagen begeleid had. Paardenmannen, koks, gidsen en begeleiders, allemaal werden zij uitgebreid bedankt. En bij die bedankjes hoorde ook wodka, veel wodka. Toen wij de volgende dag naar Osh reden waren sommige reisgenoten opvallend stil.....

Osh is een vreemde plaats. Het ligt vlak aan de Oezbeekse grens en het heeft veel spanningen weerstaan tussen de verschillende bevolkingsgroepen die er wonen. Toen wij er waren was het rustig en was er niets van onrust te merken. Osh is oud. De bewoners zelf beweren dat de plaats al drieduizend jaar bestaat, maar van oude monumenten is niets terug te vinden. De stad was `s avonds door het ontbreken van straatverlichting erg donker. We hebben er nog naar een restaurant gezocht, maar alles was dicht. Op een terrasje hebben wij uiteindelijk kunnen genieten van chips en nootjes, met een glas bier ernaast. Het terras raakte goed gevuld, en de sfeer was erg ontspannen.

De volgende dag vertrokken wij naar Oezbekistan.