Kenmerken reis
Klimaat: In de dalen van Tadzjikistan was het droog en heet. In de bergen was het een stuk aangenamer, en het bleef droog. Op de Tshimtarga pas hebben we twee uur wat hagel en sneeuw gehad, en daar bleef het ook bij.
Terrein: De Tadzjiekse bergen in het Pamir gebied zijn schaars begroeid en het klimaat is er zomers droog. De paden zijn goed begaanbaar en niet al te steil. Op de dag na de Tshimtarga pas maakten we een geweldige steengruis afdaling; in een half uur tijd konden we een paar honderd meter afdalen....
Van dag tot dag: We kampeerden in ruime tenten en liepen met dagrugzakken. Tijdens het eerste gedeelte van de tocht werd de grote bagage vervoerd door ezels. Later namen Tadzjiekse en Oezbeekse dragers de bagage van de ezels over, omdat de ezels de pas niet over konden.
Lokale bevolking: In de lagere delen van het Pamir gebergte wonen `s zomers de herders in hun lappen hutten. Als je die hutten passeert is de kans groot dat je wordt uitgenodigd voor een (kleine) maaltijd. Er wordt dan buiten een kleed uitgerold, waarna je getrakteerd wordt op thee, brood en yoghurt.
Toeristen: Her en der kom je in de bergen wat toeristen tegen. Maar `Nepalese cola-route` toestanden kom je er niet tegen.
Bijzonderheden: De laatste dag van de trekking staat bij mij te boek als de `bessendag`. Door onze gids werden we gewezen op de vele verschillende soorten bessen die er groeiden, die op een enkele na allemaal eetbaar waren.
Het weer vandaag in Dushanbe, Tadzjikistan: Click for Dushanbe, Tajikistan Forecast
Naar de foto`s en gevolgde route:

In 2006 maakten wij een reis door Centraal Azië en bezochten de landen Kirgizië, Oezbekistan en Tadzjikistan. Elk land had zijn eigen karakter, en daarom krijgt elk land ook een eigen plaatsje binnen mijn site. Na onze trekking in het Tiën Shan gebergte van Kirgizië en ons bezoek aan Buchara en Samarkand in Oezbekistan vertrokken we naar Tadzjikistan. En daarover nu meer....

Vanuit Samarkand reden we in een klein uur naar de grens met Tadzjikistan. De relatie tussen Oezbekistan en Tadzjikistan is vrij koel. Dit komt doordat Rusland bij de onafhankelijkheid van Oezbekistan en Tadzjikistan de steden Buchara en Samarkand aan Oezbekistan heeft gegeven. Tadzjikistan is echter van mening dat die steden Tadzjieks zijn, omdat de meeste mensen die er wonen Tadzjieken zijn. Bijgevolg kunnen Oezbeken uit Samarkand en Buchara zonder problemen het land in. Mensen uit de Oezbeekse hoofdstad Tasjkent kunnen dat wel vergeten.

Het verschil in welvaart tussen Oezbekistan en Tadzjikistan is duidelijk merkbaar; er is weinig gemotoriseerd verkeer, en de auto’s die wij zo af en toe passeren hebben in twintig jaar geen garage gezien. Toch maakt het land geen armoedige indruk. De mensen zijn goed gekleed, de straten zijn schoon en de sfeer is ontspannen.

De vrachtwagen brengt ons al hobbelend en stotend naar een heus bergsportkamp. Hier vertrekken met enige regelmaat bergsporters om de top van de Tshimtarga te beklimmen. (± 5500 m). Onze ambities liggen wat lager. Wij stellen ons tevreden met een tocht van zeven dagen rond diezelfde top. ’s Middags hebben we nog wat tijd over en maken we een tochtje naar een bergmeer vlak boven ons kamp. Daar komen we een herderskamp tegen. De mensen wonen in tenten die opgetrokken zijn van oude kleding die kunstig aan elkaar genaaid is. Een en ander ziet er erg kleurig uit. Helemaal waterdicht zal het wel niet zijn, maar dat is hier niet erg, want in de zomer regent het niet zo vaak in deze streken. De winters kunnen echter erg bar zijn, maar dan zijn de herders allang gevlogen.

Wie ook gevlogen zijn, zijn enkele meisjes die we eerder voor een van de tenten hebben zien staan. Als ze na een tijdje weer naar buiten komen hebben ze zich duidelijk opgemaakt en staan ze te wachten tot wij een foto van ze willen maken. Dat willen wij natuurlijk wel. De communicatie verloopt verder nogal moeilijk, want de dames spreken alleen Tadzjieks, en onze gids beheerst die taal niet.

De volgende ochtend vertrekken we onder een stralende hemel en maken we ons op om de eerste pas te slechten. Wanneer wij een herdersdorpje passeren worden wij ingehaald door een meisje van een jaar of tien dat met twee kommetjes yoghurt de berghelling opsnelt. Het is kennelijk een gewoonte om bezoekers van een dergelijke traktatie te voorzien, want gisteren werd ons ook al een bakkie yoghurt aangeboden. Het is natuurlijk onbeleefd om zoiets te weigeren, en terwijl het meisje staat toe te kijken eten wij de yoghurt op.

Na een redelijke klim over een goed pad bereiken wij een pas. Daarna volgt een wat vlakker stuk dat bespikkeld is met kleine en grotere helder blauwe bergmeertjes. Aan een van die meertjes staat een eenzaam herderstentje en wij worden uitgenodigd op (alweer) yoghurt. Dit keer eten wij luxe, want er wordt buiten een kleed uitgelegd, en naast de gebruikelijke yoghurt wordt er ook nog brood en thee geserveerd.

Halverwege de middag komen wij aan op de kampplaats, en wij zetten onze tenten bij een mooi diepblauw meertje op. De ezels, die de hele dag onze bagage hebben gedragen, dolen wat rond bij de tenten en aan het water. Ik dool ook wat rond, en maak wat mooie plaatjes van de omgeving.

De volgende dag beklimmen we de Alaudin-pas (3800m), halverwege worden we overvallen door een kudde schapen die onder luid kabaal en met een hoop stof de berghelling afkomt. Boven op de pas is het koud, we zitten een beetje uit de wind van het uitzicht te genieten. Beneden ons twee meertjes, waar wij deze avond ons kamp opslaan.

De volgende dag is het terrein een stuk ruiger. We passeren een klein iepenbos dat hier op een hoogte van 3000 meter nog weet te overleven. De berggids vertelt ons dat dit komt doordat 2500 jaar geleden een heilige kluizenaar hier zijn onderdak had. Zijn invloed doet zich nog steeds gelden, en vandaar dat deze iepen het hier tot heden ten dage weten uit te houden. Over rotsen en oude morenen bereiken we onze kampeerplaats, gelegen op een gruisbed en vlakbij een troebel gletsjermeer. Hier nemen we afscheid van de ezels. Zij hebben onze bagage tot nu toe trouw gedragen, maar het pad wordt de komende twee dagen te moeilijk voor ezelpootjes, dus zij mogen rechtsomkeert maken. De bagage zal worden overgenomen door dragers. Het zijn studenten die dit als vakantiewerk doen.

De volgende dag gaat het over morenen en soms over de gletsjer steil omhoog. De studenten hebben in ieder geval een goede conditie, want op het speciale draagstel op hun rug zitten maar liefst drie rugzakken gebonden. Ze moeten dus ongeveer 40 kilo naar boven torsen….

Terwijl de temperatuur daalt, stijgt het pad en komen we voor het eerst in slecht weer terecht. Aan de overkant van het dal worden de steile bergen zo af en toe door nevelslierten aan het oog onttrokken. En op het moment dat wij op een hoogte van 4500m de tenten opzetten, begint het te hagelen en te sneeuwen. ’s Nachts slapen we slecht. Er waait een rare wind over het kamp; tien minuten windkracht acht, twee minuten absoluut windstil, en dat een paar uur achter elkaar.

De volgende ochtend staan we onder een stralende hemel op. Het heeft gevroren, want het beekje waar ik mijn veldfles wil vullen staat vol ijs. We klimmen eerst naar de Tchimtarga-pas van 4500 meter hoog. De wolken sluiten zich weer boven ons, dus na de groepsfoto gaan we weer rap verder. Het pad loopt over een steile gruishelling en het is dus oppassen geblazen. Op een gegeven moment houdt het pad op en kiest de berggids een mooie gruishelling uit. Lopend in een langzaam naar beneden glijdende gruislawine dalen we in no-time enkele honderden meters af. Dat gaat lekker zo! Later wordt het terrein wat vlakker en komen we weer op het pad terecht. Links en rechts van ons worden we omringd door steile berghellingen, en als wij achter ons kijken zien we dat donkere wolken zich samentrekken rond de pas en de bergtoppen. Het dal waardoor wij lopen is wonderschoon. We zetten onze tenten op aan de oevers van het Bol’shoe Allo meer. Het water is mooi blauw, en links en rechts rijzen steile hellingen uit het water op. In een dal recht tegenover ons breekt plots een geraas los; een gletsjer heeft een deel van zijn lading verloren en een ijslawine stormt langs de steile berghelling naar beneden. Langzaam wordt het smalle dal met een ijswolk gevuld.

En dan is het tijd voor de laatste dag van de trekking. Het dal dat wij volgen blijft mooi, en er begint weer wat begroeiing op de berghellingen te verschijnen. Links en rechts worden wij door onze gids gewezen op allerlei eetbare bessen. En net voordat wij aan het einde van de trekking komen worden wij voor de laatste keer gastvrij onthaald bij een boeren gezin dat een stenen hutje in een groen dal bewoont. We krijgen weer brood, thee en yoghurt. De drie kinderen van het gezin zitten ons nieuwsgierig te bestuderen. De opblaasbare wereldbol die ik drie jaar geleden bij het afscheid van mijn collega’s heb gekregen gaat uit mijn rugzak. Ik laat te kinderen zien waar Tadzjikistan ligt, en waar wij vandaan komen. Ik laat de wereldbol achter als presentje. Vooral het jongste meisje is er erg blij mee.

Het afscheid van onze dragers en de berggids wordt gevierd in een klein bergdorpje, waar wij onderdak hebben gekregen bij een familie met een bijzonder groot huis. In de tuin is provisorisch een doucheruimte ingericht, en dankbaar wassen wij het vuil, stof en zweet van ons af. De volgende dag nemen wij afscheid van Tadzjikistan, rijden we naar Tasjkent en pakken wij het vliegtuig naar Nederland.